Laat niemand ooit bij je vandaan komen
zonder beter en blijer te zijn geworden.
Wees een vertolking van Gods vriendelijkheid:
vriendelijkheid met je gezicht,
vriendelijkheid met je ogen,
vriendelijkheid met je glimlach.
 
Moeder Theresa
 
 
 
"Bah!" dacht ik.
"Waarom doet niemand iets aan dat kind?"
Ik liep er opzettelijk langzaam langs en keek vol afschuw naar de troep die hij had gemaakt bij de ingang van de winkel waar ik brood wilde kopen.
Er droop chocolade-ijs langs zijn armen dat doordruppelde naar zijn knieën.
Zijn kleren zaten er vol mee.
Naast hem op de warme tegels van de vloer lagen de uitgesmeerde resten van gesmolten ijs.
De chocola kleefde zelfs aan zijn blonde haar.
Ik was verstoord, omdat hij daar maar zat, druipend met ijs aan alle kanten.
Waar was zijn moeder?
Iemand moest toch voor dat kind zorgen!
 
Er sprak een stemmetje binnenin me: "Waarom help jij hem niet?"
Maar ik luisterde liever niet naar dat idee.
Ik had thuis twee jongens, en daar had ik al genoeg mee te stellen elke dag.
Dit kind viel niet onder mijn verantwoordelijkheden!
 
Op dat moment kwam er een vrachtwagenchauffeur de winkel in.
Ik zag hem omdat hij zo'n fel gekleurd hemd aan had.
Nadat hij z'n spullen had bezorgd, vroeg hij de caissière om een papieren handdoekje.
ik begreep direct waar hij dat voor nodig had.
 
Opeens wenste ik dat ik om dat handdoekje had gevraagd.
Ik vroeg me af hoeveel andere mensen langs het jongetje waren gelopen.
Net als ik met afkeurende blikken, zonder ook maar iets te doen.
 
De vrachtwagenchauffeur ging weer naar buiten.
Hij hurkte neer bij het kind en veegde zachtjes, bijna speels, het gezicht en de handjes van het kind af.
Hij praatte vriendelijk tegen het kereltje.
De man kreeg hem niet helemaal schoon.
Een moeder had dat beter gedaan.
Die had dat doekje eerst nat gemaakt en dan hard geboend om hem schoon te krijgen.
Dus ik was even blij voor het ventje dat het geen moeder was geweest die zich voor had ingezet, maar een vrachtwagenchauffeur.
de man maakte er geen drukte over.
Hij gooide het papieren handdoekje in een prullenbak, klom weer in zijn vrachtwagen, zwaaide, toeterde en reed weg.
 Toen ik vertrok keek ik weer naar het kind.
Nog steeds een beetje kleverig, maar toen hij naar me glimlachte, glimlachte ik terug en ik zei: "Hoi!"
 
Ik nam meer mee uit dat winkelcentrum dan alleen dat brood.
 
 
Door: Marion Bond
Lees meer...   (3 reacties)
 
Morgen begint officieel, tenminste in onze regio, de schoolvakantie en ik wil iedereen een hele fijne, maar bovenal een hele gezegende vakantie toewensen.
Ik hoop dat een ieder uitgeruster terugkomt dan is weggegaan en ik bid een ieder Gods bescherming toe op alle wegen die worden begaan.
 
 
 
 
Dagboek van een Bijbel
 
 
Dag 1
 
Vandaag ben ik opgepakt en bij de andere boeken en kleren op de tafel gelegd.
Ik kan wel een gat in de lucht springen: Ik ga op vakantie!
 
Dag 2
 
Iemand heeft me in een koffer gelegd.
Het is hier wel erg donker en een beetje benauwd, maar dat zal niet lang duren.
We gaan naar de zon!
 
Dag 3
 
Ik heb het niet best, want ik ben behoorlijk door elkaar geschud.
De meest vreemde geluiden heb ik gehoord.
Auto's, bussen, een trein, stemmen via de luidsprekers over tijden van vertrek.
En toen hebben ze de koffer waar ik in zit op een band gegooid en daarna ben ik echt de kluts kwijtgeraakt.
Nu hoor ik al uren lang een gezoem; ik geloof dat ik vlieg!!
 
Dag 4
 
Oei, wat is het hier warm!
Heerlijk!
Ik lig hier echt te genieten op m'n plankje in de zon.
En een mooie kamer!
Te gek!
Ze noemen zoiets een appartement geloof ik.
Alles staat erin: tv, koelkast, bankstel en ga zo maar door.
En een balkon op het zuiden met uitzicht over een prachtige blauwe zee!
Het lijkt wel een sprookje, zo mooi.
Het liefst zou ik nu één van die Psalmen willen zingen die zo ongeveer midden tussen mijn twee kaften staan: "O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!"
Nu ja, vanavond als ze terug zijn van het zwemmen, dan zullen ze wel een stukje uit mij lezen om God te danken voor deze wonderlijke, mooie dag ...
 
Dag 5
 
Vandaag ben ik een beetje verdrietig.
Nee, niet vanwege het weer ofzo; het is nog steeds stralend zomerweer.
Maar omdat nog niemand mij van mijn plankje heeft gepakt.
Niemand kijkt naar mij om.
Ze laten me maar liggen.
Ze lachen en doen spelletjes en schrijven hele puzzelboeken vol, maar je moet niet denken dat er nu eens iemand een beetje aandacht voor mij heeft.
Jammer nou!!
 
Dag 6
 
Vanmorgen dacht ik even: Hoera, vandaag hebben ze me nodig: het is zondag en dangaan ze vast en zeker naar die kerk beneden in het dorp.
Ik hoorde al vroeg de klokken luiden!
Maar nee hoor, niets daarvan.
Ze bleven allemaal urenlang op hun bed liggen.
Toen dacht ik: dan zullen ze vanmiddag wel bij het eten wat uit mij lezen!
Maar nee, ook dat gebeurde niet.
Het lijkt wel alsof ik hier helemaal niet nodig ben.
Wat ik daarvan vind?
Ik vind het ondankbaar!
Hebben zij misschien de zon en de zee geschapen?
Een mens kan toch alleen maar echt leven als hij Gods woord binnenlaat in het huis van zijn hart??
 
Dag 7
 
Ik lig hier nog steeds.
Er ligt stof op mijn kant.
 
Dag 8
 
Vanmorgen voelde ik me opeens heel gelukkig.
Iemand nam me van m'n plank, blies het stof van me af, bladerde wat in me ... ik dacht: "Nu gaan ze me lezen!"
Maar ik hoorde alleen een stem die zei: "Hier heb ik het: Amos, een profeet met vier letters en de eerste is een A."
 
Dag 9
 
Ik ben weer thuis.
Ik lig onder de plakboeken op de televisie.
Verder ligt iedereen op bed.
Doodmoe van de reis.
Ik kan wel huilen, maar toch geef ik de moed niet op!
NOOIT!!
Want er komt een dag, waarop iemand zal ontdekken hoeveel moois er in mij verborgen zit ...!!


Lees meer...   (1 reactie)




 
Toen ik vanmorgen zo al die sneeuw zag, moest ik terugdenken aan een kaartje wat we een aantal jaar geleden kregen van de EO.
Het was rond dezelfde tijd geloof ik en zat bij de gids in.
Maar toch ...
                 



Er was eens ...
Er was eens een mees die het volgende aan een duif vroeg: "Zeg, hoeveel weegt een sneeuwvlok?"
"Minder dan niks," gaf de duif als antwoord.
"Dan moet ik je een merkwaardig verhaal vertellen," zei de mees.
"Ik zat op de tak van een den, dichtbij de stam, toen het begon te sneeuwen; niet met hevig stormgeweld, nee, als in een droom, zonder geluid of gewicht.
Daar ik toch niks beter te doen had, begon ik de sneeuwvlokken te tellen die op de twijgen en de naalden van mijn tak vielen en daar bleven liggen.
Het waren er op de kop af driemiljoenzevenhonderdéénenveertigduizendnegenhonderdtweeënvijftig.
Toen de driemiljoenzevenhonderdéénenveertigduizendnegenhonderddrieënvijftigste vlok omlaag kwam - minder dan niks zoals je zegt - brak de tak af."
Het was lang stil en tenslotte vloog de mees weg.
De duif zei na een poos nadenken bij zichzelf:
"Misschien ontbreek er nog maar één stem van één enkel mens om Zijn Woord ingang te doen vindenin het leven van een ander mens."

Lees meer...   (3 reacties)
     


Jezus heeft je al vergeven.


"Ik laat de meest verharde, gevaarlijke misdadigers naar jullie programma komen,"had de gevangenisbewaarder gezegd.
"Dit zijn mensen die nooit meer vrij komen.
Die hebben dit het hardste nodig."

Het was drie dagen voor Kerstmis.
nadat we door allerlei contrôleposten waren gegaan, stonden onze kinderen klaar om een voorstelling te geven.
Eén gevangene in het bijzonder trok mijn aandacht.
Hij kwam als één van de laatste de zaal binnen en scheen de oudste te zijn.
Hij liep moeilijk en zijn haar was helemaal wit.
Wat doet zo'n oude man hier? vroeg ik me af.
"Mam, heb je die oude man gezien, daar achteraan?" vroeg mijn zoon.
"Misschien moet je met hem proberen te praten."
"Ja," zei ik.
Maar hoe?
We mochten ons niet tussen de gevangenen begeven.
Heer, helpt U alstublieft.
De kinderen deden hun uiterste best.
Het was ontroerend hoe de doffe, gesloten blikken van de gevangenen oplichten door een glimlach.
Ze knikten beamend en schenen na te denken over de boodschap die doorkwam in de verhalen.
Uiteindelijk bogen ze hun hoofden om met ons te bidden.
Velen waren tot tranen toe ontroerd.
Toen was het weer voorbij.

Nadat de kinderen gebogen hadden en wij nog wat kerstwensen en afscheidswoorden hadden uitgesproken, begaf de lange rij gevangenen zich weer in de richting van de uitgang.

Ik liep snel naar achteren om de oude man te vinden.
Ik wist dat ik maar een ogenblikje zou hebben voordat  hij in de rij zou gaan staan.
Daar was hij ...
Onze blikken ontmoetten elkaar, alsof hij op me had zitten wachten.
"Uw kinderen waren geweldig," zei hij.
"Ze hebben zoveel liefde, zoveel vreugde.
Toen uw dochter Psalm 23 begon te zingen, moest ik huilen.
Ik ben 68 en ik ben zelf ooit christen geweest.
ik ken die Psalm."
Zijn hese stem begon te zingen in het plaatselijk dialect.
"De Heer is mijn Herder, mij zal niets ...."
Zijn ogen werden rood en waterig en hij kon de zin niet afmaken.
"Ik heb iets heel slechts gedaan.
Daarom ben ik hier," fluisterde hij.
Ik moest zelf ook bijna huilen.
Ik legde mijn hand op zijn arm en zei: "God houdt van u en Zijn liefde is voor eeuwig.
Jezus heeft u al vergeven en zal voor altijd van u houden."

Dat was alles wat ik tijdens deze korte ontmoeting kon zeggen, maar het had een enorme uitwerking.
Er kwam een warme glimlach op zijn betraande gezicht en hij rechtte zijn rug, alsof er een grote last van zijn schouders was gevallen.
"Dank u dat u mij daaraan hebt herinnerd."
Toen moest hij zijn plaats in de rij gevangenen weer innemen en schuifelden ze allemaal de zaal weer uit.
Hij wuifde nog terwijl hij de hoek omging en toen was hij weg.
Terwijl we weer naar huis reden, dacht ik: "Deze man had een ernstige misdaad begaan, maar God wilde hem toch aan ZIjn liefdeen vergiffenis herinneren."

Ik vraag me af hoeveel mensen er in de wereld rondlopen, die net zo zijn  als die man; gevangen in hun schuld en spijt over begane fouten en misdaden?
Ze voelen zich veroordeeld door de dingen die ze gedaan hebben, dingen die ze gezegd hebben of dingen die ze hadden moeten doen maar toch niet gedaan hebben.
Toch hoeven we hen er alleen maar aan te herinneren dat Gods liefde, genade en vergiffenis voor hen nooit eindigt en dan brengen we hoop en licht op de donkerste plaatsen en in de bedroefste harten.


"Al waren uw zonden rood als scharlaken, Ik maak ze wit als sneeuw.
 Uw vuurrode zonden zullen worden als witte wol."

 Jesaja 1:18


Uit: Actief.
www.actiefonline.com 
Lees meer...   (2 reacties)
  

Geboren om te vliegen.        

Een Afrikaans verhaal
wat al eeuwenlang wordt doorgegeven
aan de volgende generatie.

Met toestemming overgenomen.
Henk Stoorvogel
EO-Jongerendag



Het was tijdens een nachtelijke storm dat ergens in een Afrikaans land een baby-arend uit zijn nest geblazen werd.
De volgende ochtend was een kleine jongen van zijn boerderij op weg naar de markt.
Opeens werd zijn aandacht getrokken dooreen donzig hoopje veren in het gras.
Tot zijn opwinding en schrik zag hij dat het een arend was.
Meer dood dan levend, dat wel.
Maar toch.
Een arend!
Hij nam de gewonde arend in zijn armen en liep zo snel hij kon terug naar huis.
Daar verzorgde hij de wonden van het dier.
De arend bleek sterk en zou het overleven, maar had nog wel extra zorg nodig.
Bij gebrek aan beter stopte de jongen de arend bij de kippen in het hok.
De arend kwam al gauw weer op krachten en vond het heerlijk bij de kippen.
Hij speelde dat het een lieve lust was, leerde een kuil graven om lekker te kunnen liggen, ging met de kippen op stok, oefende zijn haantjesgedrag en leerde het hele eieren eten van het kippenleven.
De arend ging zich gedragen als een kip.
De jongen was de ware natuur van de arend echter niet vergeten.
Na een maand pakte hij het dier uit het kippenhok en zette hem op het boerenerf.
"Vlieg", riep hij de arend toe.
Maar de arend maakte geen aanstalten om te vliegen.
Integendeel.
Hij stapte parmantig rond, als was hij een echte kip.
Na verscheidene vruchteloze pogingen stopte de jongen de arend weer terug in zijn hok.
Een paar maanden later probeerde hij het opnieuw.
Nu klom hij met de uit de klauwen gegroeide arend echter op het dak van de hooischuur.
'Van zo'n hoogte moest de arend toch wel gaan vliegen', dacht de jongen.
Maar de arend bewoog zijn vleugels niet eens.
Hij leek wel een beetje bang.
Onverrichter zake klom de jongen naar beneden en zette de arend weer bij de kippen, waar hij blij zijn kippenspelsnel weer hervatte.
De jongen dacht diep na.
Hoe kon hij de arend aan het vliegen krijgen?
Hij kreeg een idee.
De volgende dag stond hij voor dag en dauw op en ging het veld in, naar het rotsplateau waar hij de arend gevonden had.
Hij klom nog voor de zon op kwam de rots op.
Een maal boven gekomen, zette hij de arend op de rots en zei: "Vlieg!"
Maar de arend vloog niet.
Toen kwam de zon op.
De arend richtte zijn blik naar de zon, uitte een luide, hoge gil, worstelde zich los, klapte een paar keer met zijn machtige vleugels en gleed weg.
De zon tegemoet.....



Geboren om te vliegen.
Persoonlijk.

Ja, ik heb ontdekt dat God ook mij gemaakt heeft om mijn vleugels uit te slaan en niet om als een half dood vogeltje thuis mijn leven uit te leven.
Nee, begrijp mij goed, ik ben altijd voor 100 % moeder en huisvrouw geweest met heel veel vreugde (nou ja, sommige dagen misschien wat minder!) maar, het was een heel bewuste keuze waar ik blij mee was (en ben) en ook dat het mogelijk was.
Ik heb echter wel ontdekt, dat God mij, mijn eigen gaven en talenten heeft gegeven en dat Hij niets liever wil, dan dat ik ze in ga zetten in Zijn koninkrijk tot eer van Hem.
Jaren heb ik thuis gezorgd voor de kinderen en het huishouden terwijl er langzaam aan binnenin mij iets begon te knagen.
Er was een gevoel van; er moet meer zijn dan dit, maar behoeft om te gaan werken had ik absoluut niet.
Ik vond het heerlijk thuis.
Het moest iets anders zijn, maar wat.
Altijd was daar het gevoel van incompleet zijn, een bepaalde leegte, een knagend gevoel van er is meer en met de jaren werd het gevoel sterker.
Soms, in de moeilijke jaren, ebde dat gevoel wat weg.
Was het meer op de achtergrond, maar het knagen bleef.

Als ik nu zo dit verhaal lees, dan voelde ik me als die arend in het kippenhok,
al zal die arend vanwege het feit dat hij een dier is er niet verder over nadenken en accepteren wie hij is.
Zo zal het ook in vele mensenlevens zijn.
Er zullen ongetwijfeld mensen zijn die genoegen nemen met hun leven en geen behoefte hebben om te ondekken of er meer in hun zit dan dat er uit
komt.

Maar ik voelde, ik ervoer, ik ontdekte, dat er meer in mij zat dan dat er uit kwam.
God heeft mij de genade gegeven om moeder te mogen worden en te zijn, en al hoe wel het moederschap nooit echt ophoudt te bestaan, wordt de fysieke
verzorging voor je kinderen steeds minder en minder en komt er ook tijd voor wat anders.
Zo kwam ook voor mij de dag dat ik bij God kwam en tegen Hem heb gezegd:
"Vader, ik weet dat er iets is wat U voor mij hebt weggelegd om te doen.
U hebt mij gaven en talenten gegeven om te gebruiken en niet om in huis  te  verstoppen, maar ik weet niet wat.
Breng U maar iets op mijn pad, laat u het mij maar zien, geef U mij maar de moed om dat te gaan doen wat ik eigenlijk misschien ook wel zou willen,
maar niet durf.
Vader, hier ben ik, kom tot Uw doel met mijn leven; het is van U, het behoort aan U.
Neem mijn leven in Uw handen , als klei in de handen van de pottenbakker
en kneed en vorm mij maar."
Ik was als die arend die dag op die rots.
Ik voelde hoe het Licht van God opkwam en over mij ging schijnen en ik hief mijn gelaat naar boven: "Ja, Heer, hier ben ik" en ik sloeg mijn vleugels uit om te vliegen en Zijn wind leidt mij op verschillende wegen, maar tot mijn bestemming.
Mijn vleugelslagen zijn nog aarzelend en soms heb ik de neiging om terug te gaan naar het 'kippenhok', maar ik doe het niet.
Ik heb mijn vleugels uitgeslagen en wil vliegen waar heen Zijn wind mij leidt.

De arend is geboren om te vliegen.

Ik ben geboren om te leven tot Zijn glorie en eer in de volle wetenschap dat ik kostbaar ben en geliefd door de allerhoogste Heer, om in Hem en door Hem tot mijn bestemming te komen; de bestemming die Hij voor mij heeft weggelegd.


©Rita.       
Lees meer...

     

Het was een mooie dag.
De zon scheen; kinderen speelden buiten en hadden het grootste plezier.
De kat van de buren nestelde zich behaaglijk in het zonnetje.
Onze hond lag opgekruld aan mijn voeten en snurkte zachtjes.
Het leek allemaal zo mooi, zo rustig, zo vredig, maar in mijn hart stormde het.
 
Ja hoor, daar komen ze weer; weer die tranen, steeds maar weer.
Ik laat mijn hoofd op de tafel vallen en snik het uit.
'Oh God, ik kan niet meer, het is zo zwaar.
Steeds opnieuw die problemen.
Die pijn, die dwars door me heen snijdt door het gemak waar mee mensen dingen kunnen zeggen en hun oordeel klaar hebben.
Verdriet, om wat had kunnen zijn en wat al niet meer.'
Opnieuw ga ik naar mijn hemelse Vader toe, zoals ik al zo vaak heb gedaan en opnieuw schreeuw ik het naar Hem uit om hulp.
“'Vader, U hebt immers gezegd dat U ons niet meer te dragen geeft dan we aankunnen; nou, ik kan niet meer, help mij  , Vader, help mij dan toch!
U kent mij toch; U ziet mij toch; U hebt toch weet van alles, dan weet U toch ook dat ik niet meer verder kan!”'
Ik huil tot ik leeg ben en langzaam gaat  mijn huilen over in een zacht snikken.
 
Dan hoor ik opeens zachtjes een stem die mijn naam noemt.
'Rita, Rita!'
Ik kijk met betraande ogen op en zie tot mijn verbazing twee doosjes op de tafel staan.
De één was goud en de ander was zwart.
'“Voor jou,'” zei de zachte stem.
'“Ik zie je inderdaad, Mijn lieve kind en Ik weet wat je nodig hebt.
Ik weet hoe moeilijk je het hebt en dat je denkt bijna niet verder te kunnen.
Daarom krijg je van Mij deze twee doosjes.
Doe alles wat je verdriet doet en pijn, al je zorgen, je moeiten, in de zwarte doos en doe in de gouden doos alles wat je blij maakt en  vreugde schenkt.”'
 
Ik keek naar die twee doosjes.
Gods geschenk aan mij.
Ik nam ze voorzichtig in mijn handen en wilde ze net op mijn bureau neerzetten, toen ik zag dat er in de zwarte doos een gat zat.
“'Vader, waarom zit er in die zwarte doos een gat, op die manier blijft er toch niets inzitten?
Op deze manier wordt alleen de gouden doos vol en blijf de zwarte doos leeg!”'
 
Vader lachte zachtjes, en Zijn lach voelde aan als een zachte streling over mijn hoofd.
“'Mijn lieve kind”, zei Hij,” dat is nu ook precies de bedoeling.
Als je al je zorgen, je moeiten, je pijn en je verdriet in de zwarte doos stopt, vallen ze er doorheen en komen ze bij Mij terecht.
In de gouden doos blijven de dingen zitten en op die manier kun jij steeds opnieuw je zegeningen zien en tellen, terwijl je zorgen door het gat in de zwarte doos bij Mij komen en jij ze kwijt raakt.”'
 
De doosjes werden voor mij een kostbaar kleinood.
Ze kregen een vaste plaats.
In de zwarte doos deed ik steeds opnieuw alles wat mij pijn en verdriet deed, mijn zorgen, alles.
Het doosje bleef licht en ik bleef kracht houden om verder te kunnen.
Het gouden doosje daar in tegen werd steeds zwaarder en zwaarder.
Af en toe, vooral als ik het moeilijk had, maakte ik hem open en keek er in.
Dan zag ik opnieuw alles wat mij vreugde en blijdschap had gebracht; de zegeningen die Vader God mij had gegeven.
Het werden bemoedigingen, krachtige aansporingen om vol te houden, verder te gaan in de wetenschap dat God mij heel dicht nabij is, hulp geeft, troost, bemoedigd.
 
Soms, als de zon een bepaalde hoogte bereikt heeft, dan schittert het gouden doosje als nooit te voren.
Dan lijkt het alsof het werkelijk helemaal in goud is veranderd.
Mijn gouden doosje met de zegeningen van God; kostbaar als echt goud.
 
Naar: Twee doosjes uit Het Zoeklicht.                           
 
 
Een prachtig verhaal, maar helaas is de werkelijkheid van het einde vaak anders.
Tenminste, in ieder geval wel vaak bij mij, en ik kon dan ook niet anders dan verder schrijven over wat realiteit is in mijn leven.
Misschien herken jij ook wel dingen.
 
De tijd verstrijkt.
Lange tijd gaat het goed en zijn de zorgen minder zwaar.
Maar op een dag merk ik dat opnieuw alles mij te veel dreigt te worden.
Het lijkt wel alsof er weer niets anders dan alleen maar problemen zijn.
Oh, ik wil zo graag genieten en blij zijn.
 
Ik open het gouden doosje en bekijk mijn zegeningen.
Ja, het zijn er al heel veel, maar vandaag lijkt het wel alsof ze me niet meer kunnen opbeuren.
Ja; zo gaan mijn gedachten; dat was toen, en toen, en toen, ...
Verdrietig sluit ik de gouden doos.
'Wat is dat toch, Vader, wat is dat toch?
Waarom voel ik me nu toch weer zo.
De zorgen overweldigen me weer.
Ik weet het, ik moet alles in de zwarte doos stoppen en dat heb ik ook gedaan, maar toch, toch overschaduwen de zorgen en de problemen mijn vreugde en is het leven moeilijk en o zo zwaar.'
Opnieuw ligt mijn hoofd op de tafel en rollen de tranen over mijn wangen.
 
Dan is het alsof er Iemand over mijn haren strijkt en zachtjes hoor ik een Stem zeggen:
'Mijn lieve kind.
Ja, je hebt keurig steeds alles in de juiste doosjes gedaan.
Je gouden doos met zegeningen raakt voller en voller, maar pak de zwarte doos er een bij.'
Ik loop naar het kastje waar de zwarte doos staat, til hem op en neem hem mee naar de tafel.
Hm, het lijkt wel of die doos zwaarder aanvoelt dan ik me herinner.
Maar goed, ik heb hem ook al een poosje niet meer opgetild.
 
Ik zet de doos neer en zeg:
'Hier is hij,Vader, maar wat moet ik ermee?'
'Mijn lieve kind,'zei Hij, voel die doos eens; is hij niet  zwaarder dan toen je hem van  Mij kreeg?
Kijk er eens in, hoort hij niet leeg te zijn?'
Ik doe de doos open en zie tot mijn grote schrik dat de doos bijna helemaal vol zit.
'O Heer, hoe kan dit nu.
Er zat toch een gat in?'
Snel haal ik alles uit de doos en zie dat het gat is dichtgeplakt.
Ontdaan leun ik achterover.
Hoe kan dit?
'Vader, wie heeft dit gedaan? Waarom? Hoe?'
 
Hij antwoordde: 'Kun je die dag nog herinneren dat je zoveel zorgen had om je kind?
Je deed al je zorgen in de zwarte doos en ging daarna verder met je werk.
Maar onder je werkzaamheden gingen je gedachten steeds opnieuw terug naar je kind en de problemen die er waren.
En je gedachten gingen verder en verder, werden negatiever en negatiever, soms gingen je gedachten zelfs bijna met je op de loop.
Ik zag de angst om je kind naar boven komen, en de overhand krijgen.
Je stopte deze dingen niet in de doos want je was te druk bezig, en je gedachten gingen alle kanten op. 
Mijn lieve kind, met iedere gedachte die je de overhand liet krijgen, dichte je de doos zelf.
Ieder moment, waarin je je gedachten niet krijgsgevangen maakte en ze in de zwarte doos stopte, werd als een stuk zwart tape die het gat dichtte.'
 
Terwijl Hij dit allemaal zei, zag ik het ook allemaal weer voor me; ieder moment.
'Vergeef mij, Vader, vergeef mij; ik heb niet opgelet.
Het leek zo simpel.
De zegeningen in de gouden doos en al mijn zorgen in de zwarte doos.
Ik besef dat ik op moet letten; de boze bestook mij soms zo en voor ik er erg in heb, escaleert het in mijn gedachten en gevoelens
Ik weet het best, Vader, maar in de praktijk van alle dag is het soms zo moeilijk; er komt zoveel op me en dan vergeet ik om alert te blijven.
En soms, Vader, als ik heel eerlijk ben, dan ben ik het eigenlijk gewoon zat om te strijden.'
 
Ik belijd mijn zonden en met ieder woord dat ik uitspreek, verdwijnt er een stukje tape van de doos, totdat het gat weer helemaal zichtbaar is.
Ik zucht eens heel diep.
Ja, er is weer ruimte.
Mijn hart is lichter en vrede is er in teruggekeerd.
'Dank U, Vader, dank U wel, voor Uw geduld met mij, voor Uw liefde voor mij.'
 
Een loflied komt op in mijn hart en al zingend zet ik de zwarte doos weer terug op zijn plaats.
Ik kijk naar boven en bid heel zachtjes:
'Help mij dit te onthouden, Vader, laat mij het niet meer vergeten en als ik het weer vergeet, wilt U mij dan opnieuw helpen, steeds weer.
Wilt U mij ook helpen om te blijven strijden.
De gevolgen zijn vaak zo groot als ik mijn hoofd ook maar even laat hangen.
U bent toch mijn Kracht, mijn Schild, mijn Rots, mijn Toevlucht.
Help mij zo, Vader, alstublieft, totdat ik het geleerd heb of voor altijd bij U ben.
Ik hou van U, Vader, ik hou van U.
 
     
©Rita
Reacties (3)
    

Afgelopen zondag gaf onze voorganger een prachtig voorbeeld in zijn preek van de palmboomkweker en de palmboom.
Het voorbeeld sprak mij heel erg aan.
Of het nu een verhaaltje is, of berust op een legende of waarheid, ik weet het niet, maar een waardevolle les zit er zeker in.
Het voorbeeld wat onze voorganger gaf, is onder 'mijn handen' uitgevloeid tot een verhaal.
Het verhaal van de palmboom. 



De palmboom was groot en sterk.
Fier stond hij op zijn plaats; zijn bladerenkruin wapperend in de wind.
Glimlachend keek hij om zich heen.
Hij voelde zich goed.
Hij was wie hij wezen moest; zoals hij voorbestemd was te zijn.
Een grote, sterke boom, die niet zou breken of ontwortelen bij een flinke storm, zelfs niet bij orkaankracht 13.
Hij zuchtte eens diep en keek tevreden om zich heen.

Toen gingen zijn gedachten terug naar de afgelopen jaren.
Nee, het was niet allemaal vanzelf gegaan.
Groot, sterk en veerkrachtig worden kost wel wat, dat gaat niet vanzelf.
Het was heel zwaar geweest.

Als kleine pit had de kweker hem op een bepaalde diepte in de grond gestopt en zo was zijn leven begonnen.
Vanuit de diepte en donkerheid van de grond had hij zijn weg naar boven de grond, naar het licht, gevonden en van pit was hij uitgegroeid tot een mooi, klein plantje met een klein, minuscuul kelkje.
Hij voelde zich er heerlijk bij.
Zo klein als hij toen was, zo heerlijk voelde de wind aan in zijn kleine kruintje.
Ja, dit ging goed; hij groeide als kool, zoals de mensen dat zo mooi kunnen zeggen.

Maar op een dag kwam de kweker en legde iets heel zwaars op zijn kleine kruintje.
Het bleek een steentje te zijn, maar o, wat voelde dat zwaar.
Hij was bang dat hij zou bezwijken onder het gewicht van dat steentje.
Maar hij zou zich niet laten kennen.
Hij zou terug vechten.
Hij zette zich schrap en zijn worteltjes groeven zich dieper de grond in.
Hm, zie je, dat hielp.
Hoe meer zijn worteltjes zich verankerden in de grond, hoe beter hij het gewicht van het steentje kon dragen.
Het groeien ging wel niet meer zo snel, maar hij brak ook niet.

Toen werd op een dag het kleine steentje weggehaald, maar hij werd wel vervangen door een zwaarder steentje.
En zo herhaalde dit proces zich steeds.
Steeds als hij dacht, nu gaat het goed, nu ben ik er, kwam de kweker weer met een zwaardere steen.
Ondertussen groeide en groeide zijn wortels tot zeer diep in de grond.
Ja, zijn groei boven de grond werd daardoor afgeremd, maar beneden in de grond verankerden zijn wortels zich stevig.
Toen hij nog klein was, begreep hij het allemaal nog niet zo goed waarom dit moest.
Het was zwaar, het deed zeer en soms dacht hij dat hij zou bezwijken onder de last, maar toch gebeurde dat niet.
De kweker scheen precies te weten wat hij aankon.

En nu?
Nu wist hij wel beter en hij was zijn kweker dankbaar voor zijn handelen.
Het was goed geweest zoals alles was gegaan.
Zijn wortels zaten nu zo diep in de grond, dat als er stormen kwamen; ja, zelfs orkanen, dan nog zou hij niet breken of ontwortelen.
Doordat zijn wortels zo diep in de grond zaten, kon hij meebuigen in de winden van de storm.
Zijn kruin kon de grond raken, maar zelfs dan zou hij nog niet breken of ontwortelen.
Ja, de kweker had het goed gedaan.
Als hij zo hard had kunnen groeien als hij had gewild, dan was hij vroeg of laat gebroken of ontworteld.
Maar nu staat hij fier en statig.
Buigzaam en veerkrachtig.
Geworteld in vaste grond.
Ja, het was goed.
Het is goed.

Glimlachend kijkt de palmboom naar beneden,  naar de mensenstroom onder hem.
Zouden zij het ook beseffen, dat de Schepper van hemel en aarde daarom stormen, ja, soms zelfs orkanen toelaat in hun leven, zodat zij hun wortels dieper kunnen verankeren in Hem, zodat ook zij staande zullen blijven?

De palmboom wuift met zijn bladeren naar zijn Schepper, zachtjes ruisen zijn bladeren in de wind, alsof hij een klein gesprekje heeft met zijn Schepper.
Misschien zegt hij wel tegen Hem; gebruik mij maar als voorbeeld.
Laat ze maar zien hoe groot en sterk je kunt worden als je je wortels dieper en dieper verankert op de juiste plaats.

En zo staat de palmboom op zijn bestemde plaats en is hij geworden die hij voorbestemd was te zijn.
Hoor, zijn bladeren ruisen zachtjes; hij verteld heel zachtjes zijn verhaal aan jou.


©Rita.
Lees meer...   (8 reacties)

     
                     

De verloren zoon.
(Lucas 15:11-32)
(eigen geschreven versie)



Een vader had twee zonen. 
“Vader”, zei de jongste zoon, “geef mij het deel van de erfenis waar ik recht op heb.”                
En de vader verdeelde zijn bezit over zijn twee zonen.   
Een paar dagen later verzilverde de jongste zoon zijn deel van de erfenis en ging op reis.      
                                                                                                        
De oudste broer is woedend als hij hoort wat zijn jongste broer heeft gedaan.
Hoe durft hij.                      
Hoe is het mogelijk dat je zomaar naar je vader gaat en je erfdeel als kind opeist, het geld van de bank haalt en er vandoor gaat.                                                          
Wat een verschrikkelijk stom jong.
Hoe haal hij het in zijn hoofd om dit te doen; z’n vader leeft nog!                       
Hoe kan hij hem dit aan doen?                                                                                         
Heeft hij dan helemaal geen gevoel in zijn lijf?                                                                      
Wat een grote egoïst!                                                                                                    
De oudste zoon loopt naar zijn vader, slaat zijn arm om hem heen en zegt: “Vader, als hij zo nodig weg wil, laat hem dan maar gaan, maar ik blijf bij u.
Dat broertje van mij weet gewoon niet waar hij mee bezig is; nee vader, wees maar niet bang, ik laat u niet in de steek.”
En in zichzelf denk hij; en jij, klein broertje, als jij zo nodig mensen verdriet wil doen, neem dan snel dat rot geld maar en verdwijn en kom nooit meer terug.

De jongste zoon gaat weg.
Hij stapt op het eerste beste vliegtuig dat hem naar Amerika brengt, naar Las Vegas.
Amerika, het land van de onbegrensde mogelijkheden.
Las Vegas, waar al het “goede” van de wereld binnen handbereik ligt.
Het eerste wat de jongste zoon doet als hij aankomt in Las Vegas is een prachtig, luxueus hotel boeken met alles erop en eraan.
Daarna steekt hij zich zelf in nieuwe kleren, wat gouden sieraden erbij, nog een bezoek aan de kapsalon voor haar en manicure en we kennen de jongste zoon niet meer terug.
Vervolgens laat hij zich naar de autohandelaar brengen en schaft zichzelf  een schitterende sportauto  aan met open dak en de modernste snufjes.
Hij glimt en blinkt aan alle kanten en mensen op straat draaien hun hoofd om, om te zien wie dat toch kan zijn.
‘Vast een heel rijk en belangrijk persoon’ hoor je ze denken.
’s Avonds gaat hij met een goed gevulde portemonnee op zak naar het casino om zijn inmiddels ietwat geslonken erfdeel weer aan te vullen.
Het geluk lacht hem toe.
Joviaal als hij is, trakteert hij zijn medespelers op een drankje en al gauw zit de stemming er goed in.
Voor de avond om is, heeft hij al een heleboel vrienden en uitnodigingen om samen dingen te ondernemen.
Ook heeft hij deze avond al aardig wat geld gewonnen in het casino en samen met wat drank voelt hij zich de gelukkigste man op de wereld.
Ook zijn bed blijft die avond niet leeg aan één kant.
In de tijd die volgt, koopt hij zijn eigen villa, een jacht en nog vele andere spullen.
Ook zijn vrienden delen mee in zijn rijkdom.
Ja, hij is een gelukkig en bevoorrecht mens.
En zo rijgen de dagen zich aan één tot weken en weken tot maanden.
Maar nog voor het jaar om is, keert het tij.
Aan zijn voorspoed lijkt een einde te komen.
In het casino verliest hij het ene spel na het andere en zijn schulden lopen op.
Al gauw moet hij dingen gaan verkopen en moet hij nee zeggen tegen de mensen om hem heen.
Hij klopt bij zijn vrienden aan om wat te lenen, maar ze lachen hem vierkant uit.
“Bekijk jij het maar”, lachen ze; “je vergokt toch alles weer.”
Dan komt de dag  dat er beslag gelegd wordt op al zijn bezittingen en zonder pardon wordt hij op straat gezet.
Opnieuw probeert hij wat te regelen met zijn vrienden.
“Geef me dan op z’n minst een plek om te slapen of wat te eten.”
Maar de mensen, waarvan hij ooit dacht dat het zijn vrienden waren, zijn zelfs niet bereidt hem onderdak te geven of iets te eten.
Eenzaam en alleen dwaalt hij door de straten van Las Vegas.
Hij probeert aan werk te komen, maar ook dat valt niet mee.
Uiteindelijk vindt hij werk in de spoelkeuken van één of ander vaag restaurantje ergens achteraf.
Hij verdient echter zo weinig, dat hij regelmatig etensresten uit de vuilnisbakken van het restaurant haalt om zijn ergste honger te stillen.
Zijn slaapplaats is niets meer dan een kartonnen doos ergens onder een viaduct, want geld om huur te betalen heeft hij niet.
Op een nacht, als hij niet kan slapen omdat zijn maag knort van de honger, denkt hij aan thuis.
Hij ziet het voor zich.
Hij hoort als het ware de vrolijke stemmen klinken.
Het geluid van rinkelende glazen, messen en vorken kletterend op de borden.
Hij ziet de rijk gedekte tafels van vroeger weer voor zich en het water loopt hem in de mond.
Het geluid van een kat, die schreeuwend wegloopt nadat hij een vuilnisbak heeft omgegooid, verstoort ruw zijn dagdroom.
Met een driftig gebaar veegt hij de tranen van zijn gezicht.
Nee, hij wil niet huilen.
Hij wil er niet aan denken.
Hij wil er niet aan denken hoe stom hij is geweest.
Met een zucht draait hij zich op zijn andere zij en probeert te slapen, maar de beelden aan thuis achtervolgen hem en gaan met hem mee als hij uiteindelijk door de slaap wordt overmand.
De komende dagen en nachten wordt het niet veel beter.
Iedere nacht wordt hij geplaagd door dromen en herinneringen aan thuis.
Hoe goed hij het daar had.
Hoe goed het daar nog zal zijn.
Maar nee, hij wil niet als een hond met zijn staart tussen zijn poten terugkeren naar huis.
Hij hoort zijn broer al schimpen.
Nee, dat kan niet, dat is geen optie.
Door de slechte nachtrust en zijn gemoedstoestand, die door dit alles niet veel beter wordt, verliest hij ook nog zijn baantje en diep ongelukkig ligt hij ’s avonds naar de sterrenhemel te kijken.
Zijn geweten knaagt.
Wroeging klimt omhoog.
Nee, al die rijkdom van zijn vader doet er eigenlijk niet meer toe.
Al zou hij maar een plekje hebben om te slapen, een boterham met kaas.
Al zou zijn vader hem maar een plaatsje geven bij zijn werknemers, die hebben het immers veel beter dan hij hier.
Maar, hij kan toch niet terug.
O, wat is hij fout geweest, wat heeft hij toch gedaan.
Het knagen van zijn geweten en de wroeging in zijn hart eindigen in het besef gezondigd te hebben en tranen van berouw vinden hun weg naar buiten.
Huilend vouwt hij zijn handen en belijdt zijn zonden aan God.
Dan komt er vrede in zijn hart en hij neemt zich voor om naar huis te gaan.
Ja, hij zal naar huis gaan en zijn vader om vergeving vragen.
Hij zal tegen zijn vader zeggen, dat hij gezondigd heeft.
Gezondigd, tegen God en tegen zijn vader.
Hij zal vertellen dat hij berouw heeft en beseft, dat hij het niet meer verdient om als zoon te worden aangenomen, maar dat hij heel graag als werknemer
in dienst bij zijn vader wil komen.
De laagste op de loonlijst zijn is voldoende.
Dan neemt de slaap hem mee in een, sinds lange tijd geleden, droomloze nacht.

De volgende dag gaat hij op weg.
Al werkende spaart hij het geld voor de terugreis bij elkaar.
Zelfs de smerigste baantjes doet hij zwijgend en zonder mopperen.
Iedere cent legt hij apart en dan breekt de dag aan dat hij voldoende geld heeft om zijn reis naar huis te betalen.

Terug in Nederland loopt hij het laatste stuk terug naar huis.
Het is nog verschillende dagen lopen voordat zijn geboortedorp in het zicht komt.
En ondertussen herhaalt de jongste zoon in zich zelf de woorden die hij tegen zijn vader wil zeggen.
Hij zal neerknielen voor zijn vader en hem zeggen, dat hij inziet hoe fout hij is geweest door zijn erfdeel op te eisen en er vandoor te gaan zonder zich om zijn vader of het bedrijf te bekommeren.
Hij zal zeggen, dat hij beseft daarmee gezondigd te hebben tegen God in de hemel en tegen zijn vader hier, en dat hij weet, dat hij zijn plaats als zoon niet meer verdient, maar dat hij tevreden is met een plek als werknemer op de loonlijst.
Hij zal vragen of zijn vader hem alles wil vergeven en hem een plaats als werknemer wil geven.
Ja, dat gaat hij zeggen en ondanks het stukje spanning in hem over hoe zijn vader zal reageren, weet hij in zijn hart, dat wat er ook gebeurt, het is goed.

Eindelijk komt zijn geboortedorp in zicht.
In de verte ziet hij iemand lopen.
Hm, als dat maar geen bekende is.
Eigenlijk wil hij nu nog niemand spreken.
Hij wil alleen maar naar zijn vader.
Met lood in zijn schoenen loopt hij het laatste stuk.
De tegemoet komende persoon komt steeds dichterbij.
En hoe dichterbij die persoon komt hoe harder hij lijkt te gaan lopen.
Kijk nu eens, hij rent …
Maar, maar,  dat lijkt zijn vader wel.
Een snik welt op in zijn keel als hij zijn vader herkent en hij rent op zijn vader toe.
Al huilend valt hij voor zijn vader op de grond neer en schreeuwt het uit.
“Vader, vergeef mij.
Ik weet, ik heb gezondigd tegen God in de hemel en tegen u.
Ik ben het niet meer waard om uw zoon te zijn, maar neem mij alstublieft aan als één van uw werknemers.”
Maar de vader tilt hem aan beide armen omhoog en slaat al huilend zijn armen om zijn zoon heen.
“Jongen, zoon, daar ben je dan eindelijk.
Iedere dag heb ik op de uitkijk gestaan.
Iedere dag liep ik hier de weg op om te kijken of je er al aan kwam.
Ik heb je zo gemist.
Ik houd zoveel van je.
Kom, we gaan gauw naar huis.”
Gearmd lopen ze naar huis.

Thuisgekomen wordt al het personeel opgetrommeld.
De één wordt er op uit gestuurd om het lekkerste eten te kopen, de ander om nieuwe kleding te halen, een nieuwe ring wordt om zijn vinger geschoven.
De vader wilt dat iedereen mee komt eten en feestvieren, want zijn zoon, die hij kwijt was, is weer terug.
Hij die dood was, leeft!
Alles is in rep en roer; de muziek klink tot ver in de omtrek.
Dan komt de oudste zoon terug van zijn werk.
Hij hoort de muziek en roept iemand bij zich.
“Wat is hier aan de hand?” vraagt hij.
De man die hij aanhoudt, vertelt hem dat zijn broer weer terug is en dat zijn vader zo blij is, dat er een groot feest is georganiseerd ter ere van de zoon die hij weer gezond en wel terug heeft.
De oudste zoon wordt woest en weigert om naar binnen te gaan.
Dan komt zijn vader naar buiten en probeert hem over te halen om toch mee te komen om ook feest te vieren.
Maar zijn oudste zoon is boos, heel erg boos.
“Al jaren ben ik bij u.
Al jaren werk ik voor u, doe ik wat u mij vraagt en nog  nooit heeft u voor mij zo’n feest georganiseerd.
Nog nooit heeft u mij zo’n feest gegeven samen met mijn vrienden.
Maar nu komt die, die, die andere zoon van u, die een deel van de erfenis 
heeft opgemaakt bij de hoeren en wat al niet meer en u geeft hem het grootste feest wat maar denkbaar is.
Nee, dank u, ik kom niet, dit hoeft van mij niet.
Dit is niet eerlijk, bekijk het maar.”
De oudste zoon wil boos weglopen, maar de vader houdt hem tegen en zegt verdrietig tegen hem: “ Jongen, waarom reageer je toch zo?
Jij bent altijd al bij me.
Alles wat van mij is, is van jou.
Maar nu, nu moeten we toch blij zijn en feestvieren,
want je broer is terug.
Ik dacht dat ik hem voorgoed kwijt was, maar hij leeft en is weer thuis."
De oudste broer rukt zich los en loopt boos weg.
De vader kijkt hem even na voor dat hij weer naar binnen loopt en zachtjes bidt hij: “Vader in de hemel, open zijn hart en ogen voor wat hier gebeurd is.
Maak zijn hart zacht om zijn broertje te vergeven en doe hem beseffen welk een rijkdom hem altijd al omringt heeft.
Laat hem inzien hoe groot het wonder is, dat zijn broertje tot inkeer is gekomen en naar huis kwam en vul dan ook zo zijn hart met blijdschap en vreugde om wat verloren was, maar nu is gered.”

Die avond gaan de drie mannen naar bed met ieder zo hun eigen gedachten.

De vader met tegenstrijdige gevoelens.
Blijdschap om de zoon die verloren was maar weer terug is.
Verdriet om zijn oudste zoon die niets van zijn vreugde begrijpt.
De vader doet het enige wat hij kan doen; hij vouwt zijn handen en bidt tot zijn Vader in de hemel.

Ook de jongste zoon levert zo zijn strijd met zijn gevoelens.
Hij geniet van het zachte bed, de geur van schone lakens, zijn gevulde maag.
Onbegrijpelijk is het nog voor hem, dat zijn vader hem zo tegemoet rende.
Dat zijn vader toch iedere dag op de uitkijk heeft gestaan voor hem, in de hoop dat hij terug zou komen.
De liefde van zijn vader voor hem overweldigt hem en tranen van dankbaarheid branden in zijn ogen.
Maar als hij aan zijn broer denkt, dan wordt hij verdrietig.
O. hij begrijpt zijn broer zo goed.
Hij zou waarschijnlijk hetzelfde gedacht hebben. 
Als het andersom was geweest, nou, dan had hij ook geen greintje respect voor zijn broer gehad.
En toch doet het zeer.
Toch zou hij het graag anders zien.
Weet je wat, denk hij, ik ga morgen ook naar mijn broer toe en vraag ook hem om vergeving.
Ik heb immers ook hem onjuist behandelt.
Ik heb naast onze vader ook hem opgezadeld met de gevolgen van mijn weglopen.
Ja, morgen ga ik ook naar hem toe…

De oudste broer zit op zijn kamer voor het open raam en kijkt naar buiten.
Gevoelens van boosheid, verdriet en bitterheid strijden in zijn binnenste.
O, vader hoe kunt u.
Die, die….  
Alles draaide hij erdoor; komt dan terug en wordt nog eens overladen met van alles en nog wat.
O ja, en hij krijgt wel een feest.
Ja, hij wel.
O God, het is niet eerlijk, het is niet eerlijk.
De tranen branden ook bij hem achter z’n ogen, maar hij wil niet huilen.
De avondwind blaast zachtjes in zijn gezicht.
Het is net alsof God zelf hem zachtjes streelt.
Dan komen de tranen toch.
O God, wat is dit moeilijk.
Ik wilde dat hij nooit was teruggekomen; we hadden het zo goed samen.
Wat had zijn vader ook al weer gezegd?
Jij bent altijd toch bij mij geweest, en alles wat van mij is, is van jou!
Wat bedoelde hij daar dan toch mee?
“Al de rijkdommen van je vader zijn binnen jouw handbereik, je hoefde er slechts om te vragen.”
De gedachte overvalt hem.
Alles binnen handbereik?
Vragen?
Was alles dan zo gewoon geworden voor hem dat hij niet meer besefte wat hij bezat, wat hij had?
Ja, zijn vader en hij hebben het goed samen.
Iedere dag waren ze samen, deelden samen dingen, werkten samen, genoten van elkaars aanwezigheid, elkaars liefde.
Zijn vader zegende hem rijkelijk met alles wat hij nodig had en wat hij wilde kon hij vragen….
Vragen…?
Zijn jongste broertje had dit allemaal gemist.
Ja, het was zijn eigen keuze, maar in hoeverre heeft hij dat overzien.
Hij heeft het vast heel moeilijk gehad zonder de liefde van zijn vader.
De liefde van vader is immers zo ontzettend belangrijk.
Door de liefde van de vader ben je geborgen, kun je volhouden, dingen doen, wat anderen ook zeggen.
“Jij was altijd toch bij mij!
Alles wat van mij is, is van jou!”
De oudste broer kreunt; o, wat is hij dom geweest.
Hij had zoveel ontvangen, altijd was hij in de aanwezigheid van zijn vader geweest en nu was hij boos geworden omdat zijn broertje tot inzicht was gekomen over wat hij had fout gedaan.
Zijn broertje was teruggekomen en hij was boos weggelopen.
In plaats van blij te zijn met zijn vader; hij wist immers hoeveel verdriet zijn vader had gehad om het weggaan van zijn broertje, was hij onredelijk boos geworden op zijn vader en wilde hij hem de hereniging met zijn jongste zoon ontzeggen.
De oudste broer heft zijn hoofd naar de hemel en zegt zacht:
“Vader God, vergeef mij, vergeef mij mijn reaktie; het was fout.
Mijn vader heeft zijn zoon terug en ik mijn broertje.
We zijn weer herenigd als gezin.
Vergeef mij mijn boos, opstandig en jaloers hart en reinig mij van al mijn zonden.”
Dan vult ook het hart van de oudste zoon zich met diepe vrede.
Morgen, denkt hij, morgen ga ik naar mijn vader en naar mijn broertje en ik ga ze om vergeving vragen.
En dan, dan gaan we met z’n drieën nog even feest vieren.
Want mijn broer en ik, we waren beiden dood, maar zijn nu weer levend; we waren beiden verloren, maar zijn nu gered.

Dan ontfermt de slaap zich over alle drie.
Vrede is in ieders hart.
In het hart van de vader, omdat hij zijn zorgen en lasten bij zijn hemelse Vader heeft neergelegd, bij de twee broers omdat ze beide tot inkeer zijn gekomen.

En God de Hemelse Vader?
Hij glimlacht teder en in de hemel viert men feest.
Want wat verloren was, is gered.


©Rita.
 
Lees meer...
      


Hij mag er niet in.


Er was eens een zwarte man.
Deze zwarte man had een ontmoeting met Jezus gehad en zich bekeert tot Hem.
Hij kreeg meer en meer honger naar het woord van God.
Ook wilde hij graag in het gezelschap verkeren van mede broeders en zusters.
Samen bouwen aan Gods koninkrijk.

Bij hem in de buurt stond een kerkgebouw.
Toen hij daar op zondagochtend aankwam, zag hij dat hij de enigste kleurling was daar.
Hij mocht er niet in....

Hoeveel pijn hem dat ook deed, hij probeerde het toen in een dorp verderop.
Maar ook hier werd zijn zwarte persoonlijkheid niet op prijs gesteld.

Toen hij voor de derde keer afgewezen werd bij een andere gemeente, liep hij naar een boom die voor de kerk stond, liet zich er tegenaan vallen en huilde bittere tranen.

Plotseling stond Jezus voor hem.
"Wat is er aan de hand, Mijn kind?" vroeg Jezus hem zacht.
"Ik mag er niet in en dat doet zoveel pijn."

Jezus raakte hem zachtjes aan en zei: "Ik weet hoe je je voelt, Mijn kind, Ik weet hoeveel pijn je hebt.
Ik mag er Zelf nl. ook niet meer in...."


Bron onbekend.
Lees meer...   (1 reactie)
      

 
                                
Ik ben een LEVENDE!


Zijn hele leven lang had oude Sam al op de katoenplantage van Master Jacksons' familie gewerkt.
Dag in, dag uit, jaar na jaar.
Zijn vader en moeder hadden er nog als slaven gewerkt, maar na de burger-oorlog was de slavernij afgeschaft.
Ofschoon de oude Sam dus geen slaaf meer was en kon vertrekken wanneer hij maar wilde, had hij besloten om maar bij Master Jackson te blijven werken.
Hij was toch te arm om zelf iets te beginnen en zo slecht had hij het nog niet op de grote katoenplantage.
Natuurlijk was de oude Sam niet altijd oud geweest.
Vroeger was hij gewoon Sam, maar de jaren waren gaan tellen en iedereen noemde hem nu "de oude Sam".
Hij hoefde nu ook niet meer zo hard te werken als vroeger.
Toen zijn lieve vrouw op een zekere dag niet meer wakker geworden was en naar de hemel was gegaan, had master Jackson hem in huis genomen en werd hij zijn persoonlijke knecht.
Hij sliep in een piepklein kamertje in het landhuis van Master Jackson.
Gemakkelijk had Sam het nooit gehad.
Zijn leven had heel wat tegenspoed gekend en zijn gezicht was erdoor getekend, maar er was altijd iets dat hem op de been hield.
Dat was zijn vaste geloof in Jezus.
Hij hield van Jezus en Jezus hield van hem.
Dat was dan ook één van de weinige dingen aan Sam, die Master Jackson niet begreep.
Master Jackson geloofde namelijk niet in God.
Elke keer als ze samen over iets zaten te praten, haalde Sam het geloof er weer bij en Master Jackson begreep gewoon niet hoe iemand gelukkig kon zijn terwijl hij zo weinig had.
Master Jackson was heel wat jonger dan Sam en hij had altijd al in zijn mooie landhuis gewoond.
Honger had hij ook nog nooit gehad en waarom je God nodig had, was hem tot op heden een raadsel.
Diep van binnen wilde hij best wel geloven, zoals Sam dat deed, maar dat kon hij eenvoudigweg niet.
Alleen dat leven van Sam al.
Vol met problemen en pijn.
Zelfs nu Sam niet meer zo hard hoefde te werken, was het leven van de baas heel wat makkelijker.
Op een dag kon Master Jackson het niet meer voor zich houden.
"Sam... nou moet je toch eens naar me luisteren!
Je zegt dat het geloof je zo helpt en dat iedereen zou moeten geloven!
Jij bent een Christen.
En toch heb jij niets dan problemen.
En kijk nou eens naar mij.
Ik  geloof niet in God.
Ik geloof eigenlijk nergens in, maar ik ben rijk.
Ik heb een mooi huis, met prachtig serviesgoed en een mooie  slaapkamer.
Het vergaat mij veel beter dan jou, dus waarom zou ik dan moeten
geloven?"
Sam keek de baas verrast aan en zei tenslotte eenvoudig :
"Weet ik niet baas. Daar zal ik es effe over moeten nadenken!"
Een paar dagen later vroeg Master Jackson of Sam met hem mee op eendenjacht wilde gaan.
Master Jackson was gek op eendenvlees en ging maar al te graag het moeras in om er een paar te schieten.
"Vooruit Sam", zei Master Jackson opgewonden.
"Haal mijn jachtgeweer maar uit het vet.
Vanavond eten we gebakken eend!"
En zo kwam het dat het tweetal een uurtje later stilletjes verscholen in het riet lag op jacht naar een vette eend.
En ja hoor...      daar kwamen ze.
Een groep eenden kwam snaterend aangevlogen.
Master Jackson sprong wild schietend en knallend uit het riet.
Hij had er zo waar een paar geraakt.
Eén eend viel meteen als een blok naar beneden, maar er was ook een eend bij die slechts in zijn vleugel geraakt was.
Die maakte een hels kabaal en probeerde er nog vandoor te gaan.
"Er achteraan", bulderde Master Jackson opgewonden.
"Vooruit Sam...     laat die dooie eend maar liggen.
Je moet de levende hebben.
Stop die levende eend snel in de zak voor hij weer wegvliegt!!"
Even later kwam Sam glunderend terug met de levende eend die luid protesterend in de zak lag te worstelen.
Er stond een grote grijns op zijn gezicht en terwijl hij de zak met de eend aan Master Jackson overhandigde, zei hij enthousiast:
"Nou weet ik 't baas.
Ik weet 't!
Ik heb het antwoord op je vraag, baas!
Ik ben een levende, begrijp je.
Ik ben een levende.
De duivel is bang dat ik er vandoor zal gaan.
Maar jij bent een dooie.
Jij zit al lang in de zak van de duivel, maar ik niet.
Hij maakt zich dus geen zorgen over jou, maar wel over mij.
Dus geeft ie mij veel meer problemen dan jou!'
Toen draaide hij zich om en ging zingend op zoek naar de dode eend.


Uit: Actief Nederland.
Lees meer...
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl